Interne aangelegenheden die kuddebeschermingshonden triggeren
In navolging op het korte artikel ‘Wat triggert kuddebeschermingshonden (KBH) (externe aangelegenheden)’ ga ik het hier hebben over basisvoorwaarden om kuddebeschermingshonden stabiel en efficient te kunnen laten functioneren: de interne aangelegenheden die hen kunnen triggeren om op een bepaalde manier te reageren. Op externe omstandigheden hebben we vaak minder makkelijk invloed. Des te belangrijker is een stabiele basis van interne aangelegenheden. Iets waar we eerder invloed op kunnen hebben met de nodige inzet en inspanning. Dit artikel is met name van belang voor mensen die op het punt staan om te gaan werken met kuddebeschermingshonden en voor hen die dat al doen.
Kuddebeschermingshonden zijn door de eeuwen van hun bestaansgeschiedenis heen erin geslaagd met alle veranderingen om te kunnen gaan, tot de dag van vandaag. Onder de juiste omstandigheden en met de juiste benadering kunnen ze in veel verschillende settings succesvol functioneren. Waar dingen vaak niet goed, of zelfs mis, gaan zien we vrijwel altijd dat er beperkt rekening gehouden wordt met de benodigde criteria om kuddebeschermingshonden goed te laten functioneren. De basis begint altijd intern. Zowel inwendig in het fysieke en mentale van de hond, als bij de fokker, houder, verdere betrokken mensen, roedelgenoten en de andere dieren waarmee ze samen leven.
Inwendige aspecten: de persoonlijkheid of het karakter van een kuddebeschermingshond wordt veelal van buitenaf beoordeeld en (ongewenste) uitschieters in gedrag probeert men meestal ook van buitenaf te corrigeren, te behandelen of hervormen. Wat ontbreekt is een holistische kijk. Een manier van kijken die naar de kern van oorzaken opzoek gaat om vervolgens verband te kunnen leggen tussen inwendige factoren en uitingen in gedrag, vaak verward met persoonijkheid of karakter.
Bijvoorbeeld: een reactieve hond ten opzichte van externe prikkels heeft veelal ook lichamelijk last van irritaties, prikkels of klachten. Veel verder dan ‘de hond heeft misschien ergens pijn’ komt het vaak niet. Men kan soms door consequent corrigeren een reactieve hond (tijdelijk) minder reactief krijgen, maar de prikkels komen nog steeds binnen en hebben invloed op mentale en fysieke processen. Aanhoudend triggerende prikkels zorgen voor aanhoudende stress. Aanhoudende stress zorgt voor inwendige reacties zoals uitputting van bijnieren die constant cortisol aanmaken. Inwendig lijden onder andere de stofwisseling, bloeddruk en slaapritmes hieronder. Gedragsmatig kunnen overprikkeld (reactief) en ongecontroleerd en onvoorspelbaar gedrag problematisch worden. Als dit niet erkend, behandeld en ondersteund wordt kunnen we niet verwachten dat de betreffende hond naar wens functioneert en reageert. Overmatige reactiviteit kan zich uiten in veelvuldig blaffen en terughoudendheid en onzekerhied, maar ook in veelvuldig blaffen en impulsief/agressief reageren en handelen. De eerste verantwoordelijkheid in deze categorie ligt absoluut bij de fokker. Door te fokken met overreactieve dieren ontstaan hele groepen met te reactieve dieren. Het wordt soms zo normaal geacht, dat het als raskenmerk opgenomen wordt. Behalve de risico’s die dit meebrengt voor de directe leef- en werkomgeving van zulke dieren, veroorzaakt dit ook een veelvoud aan dieren met niet erkende gezondeidsproblemen. Er zullen altijd wel dieren in deze categorie zijn en met de juiste begeleiding en ondersteuning door eigenaar en roedelgenoten kunnen deze dieren zeker van waarde zijn en kan hun reactiviteit op een acceptabel niveau komen voor zowel het individu zelf als de omgeving. We moeten echter wel proberen te voorkomen dat zulke individuen talrijk zijn.
Het tegenovergestelde van reactiviteit komt ook voor. Voor het oog kalme, non-reactieve persoonlijkheden die helaas regelmatig beoordeeld worden als stabiele en wijze individuen. Als dit soort persoonlijkheden geconfronteerd worden met veel druk en dreiging wordt echter vaak pijnlijk duidelijk dat ze nodige reactiviteit en assertiviteit tekort komen. Dit uit zich heel duidelijk bij daadwerkelijke predatiedruk en dreiging door grote roofdieren. Inwendige oorzaken waar vaak niet naar wordt gekeken kunnen bijvoorbeeld zijn: chronische tekorten aan voedings- en bouwstoffen, schildklierproblemen en overbelasting van de lever. Het zoveel mogelijk vermijden van slechte voeding, onnatuurlijke middelen en een vervuilde leefomgeving is sowieso cruciaal en begint wederom bij de fokker en is daarna een verantwoordelijkheid van de eigenaar. Een zeer waardevol selectie- en aanschafcriterium om de kans op gezapige dieren te verkleinen is putten uit kuddebeschermingshonden uit generaties van ervaren beschermers in primair (natuurlijk) roofdiergebied. Kuddebeschermingshonden bezitten tal van eigenschappen die ze nodig hebben om hun taak goed te kunnen uitvoeren, echter die eigenschappen zijn niet altijd 1,2,3 te zien als men ze aanschaft. Beelden van kuddebeschermingshonden tussen vee zijn (logischerwijs) de meest geziene en meest gewenste beelden bij mensen die ze willen aanschaffen. Echter in de praktijk zeggen deze beelden net zoveel als een beeld van een blinkende, mooie auto. Wat erin zit komt pas tot uiting bij ‘ingebruikname’. De daadwerkelijke omstandigheden, ervaringen en beschermingsresultaten van de voorouderlijnen zeggen veel meer dan welk beeld dan ook. Een ieder die met kuddebeschermingshonden werkt of gaat werken kan ze maar het beste zo snel mogelijk realistisch leren ‘lezen’. Er bestaat geen gedragsdeskundige of kynologische opleiding om deze honden te leren begrijpen en lezen behalve het daadwerkelijk leven en werken met hen. Deze honden leren kennen is een levenslang proces en alleen compleet leerbaar als de honden in hun daadwerkelijke taak functioneren met alle aspecten die daarbij horen. Uiteraard kunnen mensen hulp krijgen om een eind goed op weg te komen en ook na ervaring over langere tijd bestaan er hulpkanalen van mensen die al verder zijn. Echter het zelf accuraat leren lezen en begrijpen van je honden en hun invloed op je andere dieren en directe omgeving is een prio vanaf het prille begin.
Interne menselijke triggers. Als hoofdverantwoordelijke persoon is het van groot belang om alle andere betrokken personen zo goed als mogelijk op één lijn te krijgen voor wat betreft de manier van werken en omgaan met de kuddebeschermingshonden. Heel veel factoren en processen kunnen doormiddel van conditionering voor de honden makkelijk herkenbaar en vertrouwd zijn. Als mensen afwijken van de vaste gewoontes en voorspelbaarheden kunnen kuddebeschermingshonden andere reacties en gedragingen laten zien dan normaal. De honden acteren niet en liegen niet. De oorzaak van voorkomend afwijkend gedrag bij andere betrokkenen wijst dus vrijwel altijd naar de persoon in kwestie. Dit kan structureel zijn, door eigenzinnigheid bij de persoon in kwestie of incidenteel door bijvoorbeeld de gemoedstoestand van de persoon in kwestie. Hoe je het ook went of keert, de honden zijn een uiterst accurate indicator voor zaken die hun voorspelbaarheid aantasten. Zowel naar externe als interne verstoringen. Voor je eigen welzijn en voor de beste resultaten met kuddebeschermingshonden: zorg dat je goed in je vel zit. Geen zorgen, niets menselijks is ons vreemd. Iedereen heeft ups en downs. Ook daarmee leren de meeste kuddebeschermingshonden zonder problemen omgaan. Echter het streven is een uitgangspositie van een ontspannen en positieve samenwerking over de hele breedte. Kijk hierbij, waar mogelijk, ook zeker naar de omstandigheden bij de fokker. Hoe is de fokker als persoon, wat is de werkwijze en wat is de (zichtbare) trend in types kuddebeschermingshonden. Hoe dichter de zienswijzes en houdingen van fokker en nieuwe eigenaar bij elkaar liggen, des te beter. Onder die omstandigheden is de kans op betrokkenheid en eventuele hulp in een later stadium ook het grootst.
Triggers vanuit duo- of roedelgenoten zijn ook zeer belangrijke aspecten! Om goed te kunnen functioneren hebben kuddebeschermingshonden minstens één soortgenoot nodig om mee samen te werken en leven. Dit is belangrijk in momenten van rust en orde en in momenten van onrust en verstoring. Geen één wezen communiceert, leert, begrijpt, steunt, corrigeert en is als een andere kuddebeschermingshond. Kuddebeschermingshonden pups groeien bij voorkeur op bij en naast ervaren soortgenoten. Ze horen er nooit alleen voor te staan, noch in de gelegenheid gelaten worden waar ze ongewenst gedrag kunnen ontwikkelen. De betrokken mens speelt dus ook altijd een belangrijke en aanwezige rol. Ongeveer vanaf dat kuddebeschermingshonden twee jaar oud zijn kunnen ze lichamelijk en fysiek rijp zijn om volledig en betrouwbaar te kunnen werken. Echter pas vanaf een jaar of vier zijn ze helemaal volwassen. Afhankelijk van hoe de omstandigheden en persoonijkheden zijn in de aanloop naar de leeftijd van 2, 3 en 4 jaar zijn de kuddebeschermingshonden in staat om de gewenste taken gegarandeerd naar behoren uit te voeren, of niet. Respecteer ten alle tijde de tijdlijn die een individu nodig heeft. Verwacht van een jonge hond geen volwassen prestaties. Verwacht van een onzekere hond geen heldhaftigheid. Let bij het samenstellen van een duo of roedel goed op de persoonlijkheden van ieder individu. Dit, geslacht en afkomst bepalen voor een groot deel of de kans op langdurig succesvol samenleven groot of klein is. Hoe dan ook zijn er periodes waar de kans op irritaties en frustraties groter is. Bijvoorbeeld hormoon gedreven of getriggerd door lammertijd met alle bijbehorende geurtjes en gedragsveranderingen in de kudde of door periodieke toename van predatiedruk.
Triggers vanuit de te beschermen dieren. Een succesvol integratie- en bindingsproces van kuddebeschermingshonden bij de te beschermen dieren is een onderwerp wat vaak eenzijdig belicht wordt. Kortgezegd krijgen de honden meestal de schuld als er iets niet goed gaat. Wat er aan een uit de hand gelopen conflict vooraf gaat wordt vaak gemist. Er zijn teveel voorbeelden om op te noemen, maar ik zal een aantal facetten behandelen. Waar men zonder al aanwezige, ervaren kuddebeschermingshonden met pups begint geldt in principe de regel dat tot de leeftijd van minimaal twee jaar de honden niet in de gelegenheid moeten worden gebracht om in de problemen te komen met ongewenst gedrag tot gevolg. Ook als er al wel oudere, ervaren honden zijn moeten de jonge honden behoed worden voor situaties waarin ze ongewenst gedrag kunnen gaan ontwikkelen. Wederom is de rol van de betrokken mens een cruciaal onderdeel. Jonge dieren houden van spelen en rennen. Spelen en rennen kunnen zomaar jagen en verwonden worden, zonder enige geplande verkeerde intentie vooraf. Bij de aanschaf van oudere, ervaren kuddebeschermingshonden is oplettendheid ook nodig. De kudde waar de honden naartoe gaan is niet dezelfde als de kudde waar ze tot dan toe binding mee hadden. Zij bezitten wel de skills, maar de andere partij vaak nog niet. Zeker in mijn werkveld in Nederland is dit het geval. Vrijwel op iedere plek waar we gestart zijn met de inzet van kuddebeschermingshonden waren er al gevestigde wolven, maar bij de kuddes nooit een verleden of ervaring met kuddebeschermingshonden. Pups hebben tegen roofdieren niets in te brengen. Onder zulke omstandigheden zijn volwassen/jongvolwassen honden nodig die de boodschap naar wolven daadwerkelijk kunnen overbrengen. Bij geen één kuddebeschermingshonden implementatie waren er in de eerste maanden predatie pogingen van wolven. Die gingen in de observatie modus. Hun aanwezigeheid in de gebieden bleef doorlopend zichtbaar d.m.v. loopsporen, uitwerpselen en wildcamera beelden. Op dat gebied was er dus weinig aan de hand, waardoor de volle aandacht op het gewennings- en bindingsproces tussen kudde, kuddebeschermingshonden, herder en hoedende honden gericht kon zijn. Heel beknopt gezegd kunnen we bij een normaal lopend proces drie fases onderscheiden.
- De onbekendheidsfase: waar de honden wel herkennen met wat voor soort dieren ze te maken hebben maar de kudde niet gewend is aan de constante aanwezigheid van grote honden in hun midden. De kudde vertrouwt het nog niet en blijft wat uit de buurt van de honden.
- De onverschilligheidsfase: de honden en de kudde zijn al een tijdje gewend aan het feit dat ze altijd samen zijn, maar kennen elkaar nog niet goed genoeg in alle gedragingen, gewoontes en eigenaardigheden. Soms wordt er een kopstoot aan een hond uitgedeeld, soms een snauw of pits naar een schaap of geit. In principe geen probleem zolang er goed beoordeeld wordt of één of ander niet buitensporig en/of ongegrond is.
- De gebondenheidsfase: de vorige twee fases zijn zonder grote problemen doorlopen. De kudde en de honden zijn niet alleen aan elkaar gewend maar ook op elkaar gesteld. Sommige individuen meer dan anderen. Die verschillen zijn er en mogen er wezen. Nu is het voor het verder ontwikkelen van de routine nodig dat alle facetten en fases in een jaargang rondom de kudde één keer zijn doorlopen en daarna nog een keer om vast te stellen dat alles goed geland is.
Er kan vanalles voorvallen waardoor één en ander niet normaal verloopt. Een paar stapjes terug en later weer een paar vooruit is geen schande. Zaken die niet herkend, verkeerd beoordeelt worden of onnodig uit de hand lopen kunnen resulteren in onherstelbare problemen. Zoals ik al eerder zei krijgen de honden meestal de schuld wanneer waargenomen wordt dat de honden het vee opgejaagd of iets aangedaan hebben. De eerste verantwoording ligt echter bij de eigenaar en diens ‘leeskwaliteiten’. Daar hoort ook de kennis bij over het gedrag van diens vee. Dieren die, meestal in de onverschilligheidsfase, gaan aftasten wat ze allemaal kunnen uithalen bij de kuddebeschermingshonden zijn met enige regelmaat de oorzaak van conflicten. Zeker bij geiten komt dit gedrag vaker voor, maar ook onder schapen is het niet ongewoon. Er zijn kuddebeschermingshonden met eindeloos geduld. Er zijn er ook met minder geduld. Als er een conflictje door een duidelijke, maar gedoseerde reactie opgelost wordt dan kan alles weer over tot de orde van de dag. Als het conflictje blijft sudderen dan kan het uit de hand lopen. Zeker als dit soort zaken niet herkend of gezien worden door de dierhouder. Wederom: leren lezen dus. Vaststellen, niet aannemen. Weten, niet gissen. Veruit de meeste kuddebeschermingshonden in Nederland werken in gescheperde kuddes in wolventerritorium. De tijd dat de kudde gehoed wordt door de herder is van grote waarde voor het bindingsproces tussen alle betrokkenen. Zonder extra tijd ervoor te hoeven uittrekken zijn kudde, kuddebeschermers en herders dagelijks lange tijd samen. Desalnietemin worden ook hier soms zaken niet gezien of onjuist geinterpreteerd.
Het mag duidelijk zijn dat de inzet en inspanning om alles intern voor elkaar te krijgen niet vanzelf gaat. Dat wordt in de maatschappij nogal onderschat. Wij, de mensen die met kuddebeschermingshonden werken doen er alles aan om verantwoord en efficient te werken zodat ‘overlast’ door reactiviteit op externe prikkels minimaal is. De tijd is nu wel rijp om de producenten van onnodige en ongewenste externe prikkels ook op een acceptabel niveau te krijgen. Activiteiten om dit proces helderder en efficienter dan tot nu toe over te gaan brengen aan ‘het publiek’ zijn inmiddels in gang gezet.